L.
23 september 2009
Jij was er plots.
Als een waterval in mijn vallei,
Bescheiden en prachtig.
En jouw rivier kabbelde
door mijn landschap op de klanken
van het zachte akkoord uit dat ene lied over verliefd zijn.
Nu ben je er.
in mijn zijn stroomt jouw rivier
gestaag en rustig,
en vol overtuiging.
Jij zuivert me en brengt me tot leven,
zoals een vallei met een waterval
die in haar buik de vlinders laat dansen.
Mnemosyne.
20 augustus 2009
Het verre Griekenland speelt in mijn hoofd.
En de herinnering liet zachtjes mijn lippen in jouw hals vallen. Aarzelend en onzeker, wachtend op inspiratie voor de juiste dans van lichaam en woord. Ik zocht kunst om jou te strelen, mijn mond om de jouwe te leggen en je langzaam te ontdekken. Spreek.
“Ik wil je wel dragen. Tot het einde. En daarna laat ik je los. Zweef maar, mijn treurige geliefde, want de menigte aan de oppervlakte zou je verscheuren.”
Toen stopten we de tijd in bed en gingen we slapen. Geruisloos jouw naakte lichaam tegen mijn koude voeten en mijn wimpers in je haar. Zorgeloos gelukkig.
Tot het einde. Nu. Hier zoek ik kunst om te vergeten, om even dat moment van mijn herinneringen te krabben, tot de pijn zich terugtrekt. Daarna zal ik het portret van gisteren op de schouw plaatsen.
Mnemosyne (Greek Mνημοσύνη, pronounced /nɪˈmɒzɪni/ or /nɪˈmɒsəni/) (sometimes confused with Mneme or compared with Memoria) was the personification of memory in Greek mythology. This titaness was the daughter of Gaia and Uranus and the mother of the Muses by Zeus.
In Hesiod’s Theogony, kings and poets receive their powers of authoritative speech from their possession of Mnemosyne and their special relationship with the Muses.
Zeus and Mnemosyne slept together for nine consecutive nights and thereby created the nine Muses. Mnemosyne also presided over a pool[2] in Hades, counterpart to the river Lethe, according to a series of 4th century BC Greek funerary inscriptions in dactylic hexameter. Dead souls drank from Lethe so they would not remember their past lives when reincarnated. Initiates were encouraged to drink from the river Mnemosyne when they died, instead of Lethe.
Dit is leven.
14 augustus 2009
Het bruist in mij. Als de kiem van een idee dat nog geboren moet worden. De jonge bohemiens zingen hun lied en drinken bittere wijn. De plankenvloer is hun podium, de schetsen op de muur de bourgeoisie. Met hoge hoeden en misprijzende blik, kijken zij verwonderd naar de immense vrijheid van dat andere individu – wellicht voelen zij heel even het scherpe mes van zelfmedelijden, de drang om de ketenen van zich af te gooien, en van de muur te komen, en te zingen en te drinken, met hen die al lang niet meer geloven in de kracht van kapitaal.
Onze bohemiens prijzen nu hun God, uitbundig en beneveld, met grote gebaren en luide stem. “Het Niets heeft de allerhoogste waarde, omdat het geen concurrent nodig heeft om te kunnen bestaan. Het is onmenselijk, omdat het onbreekbaar is, onverdeelbaar, zonder conflict.”
“En het Alles? Het Niets verbleekt bij haar schoonheid, haar absurde kracht. Het Alles bezit de mens en ze eist van hem de grootste inspanning. Zij kan hem niet bevatten, net zoals mensen elkaar niet kunnen bevatten. Het alles is chaos.”
“Juist het Niets is absurd en vraagt het absolute alles van de mens. Daarin ligt haar ultieme zijn. Omdat ze niet is. En omdat een mens niet kan aanvaarden dat er niets is.”
En wij liggen het bed er naast, geduldig wachtend in elkaars lichaam. En je weet dat dit onvervangbaar is. Even Altijd vergeten en mij ruiken. Ik lach om de dansende kuiltjes op jouw gezicht. Jouw woorden adem ik in als een catharsis.Alsof een nieuwe hemel zich aanreikt.
Een geboorte van een nieuwe morgen kondigt zich aan, maar wij krassen haar nog even uit. We houden het nieuwe nu in de palm van onze liefde vast.
Geschiedenis
21 juni 2009
Ik verdrink in dagen van daden met dubieus belang.
En Tijd vecht om vakjes in het rode anti-boek
waar vrijheid een woord wordt voor de toekomst
en waar ik – de piraat met het potlood
grijze strepen trek onder het verleden.
De grote missie, het plastieken goud
heeft mijn vrijheidsschreeuw verkruimeld
tot stille angsttranen in de nacht.
Uren in de avond.
18 april 2009
Met mijn blote voeten op het hete asfalt, dwing ik mezelf te vergeten. Iedere aanraking met de wereld moet mij dwingen niet te vervagen. Alsof het voelen dat ik nog fysiek aanwezig ben, mij kan redden. Misschien vind je dit een idiote redenering maar dat kan mij weinig schelen.
Bij het vallen van de avond trek ik de stad in. Nog even de kleuren absorberend, geef mijzelf over aan schalkse uitspraken van de spelende kinderen. En dan antwoord ik geanimeerd. Dat ik hun fiets niet zal stelen, bijvoorbeeld. Van mensen zonder schoenen kijken ze al lang niet meer op, deze stadskinderen uit de armoedige wijken.
Bij ieder stap hoop ik een inspiratiebron te ontdekken. Literair gezien zou het misschien van weinig talent getuigen moest ik nu schrijven enkel glasscherven en scherpe steentjes te vinden. Maar bij deze staat het er toch en blink ik uit in amateurisme – nog zo’n mooie. Moet je lachen? Je weet wel hoe het is. De momenten waarop de intense innerlijke leegte je dwingt te schrijven maar de knipperende cursor niet meer lijkt te bewegen, je vingers verstijfd zijn van weemoed en melancholie en zelfmedelijden de zinnen verkrampt. Zo is het al maanden.
Ik zoek ideeën, zwervend door de stad en gebeten door eindeloosheid. Als mijn koude voeten mij uiteindelijk aansporen een tram te vinden naar mijn kamer, blijf ik achter. Bedeesd en leeg en mensenschuw. Ze kunnen mij niet helpen.
Zou het kunnen dat ik me eenzaam voel? – Je weet dat ik op je wacht.
Naar Stijn Streuvels.
20 februari 2009
Ik vaar op oude rivieren
die verdwijnen in de mist
en zweven op hun water.
Stroming en riemen
zingen de cadans van mijn gedachten.
De doom van dit desolaat landschap
streelt liefdevol zijn lijk.
Steeds verder drijft mijn sloep
naar de illusies van de moderniteit.
Dertien.
13 februari 2009
Samen zijn we weerloos.
De wolken staan tussen ons,
ik blaas ze weg
maar de heldere hemel die ons werd beloofd,
sluimert alweer in je hoofd.
Ik wil je hullen,
ik wil je huilen
in de kleine geborgenheid
van graag zien.
Drink de verzameling zwarte nevel
in een klein glas carapils
en braak de verbijstering
uit jouw helend omhelzing.
Schrijf mijn tranen neer.
Mist.
26 januari 2009
Zonder reden
dwarrel ik neer op jou
in een stad zonder gezicht.
Ik ben de mist
die sluipt door de straten
van een dystopie.
Mijn duizenden armen
stelen jouw silhouet
en ze leiden je
door de straten van een stad
zonder gezicht.
Nuances verkruimelen
onder het gewicht
van mijn naam
en nu koester ik alles
wat de mijne is
in deze stad
zonder gezicht.
Het zwart van de nacht is mijn bondgenoot.
het Bedrijf.
28 december 2008
Pijn is niet het juiste woord.
Het is de aanbidding die mij verscheurt
en laat ontbinden
tot hoopjes lege lucht
met walmen van geuren
zonder emoties.
En schaamte
met biergist en gerookte kruiden
toont de dieptes van de nacht
en versluiert de twijfels
van het vrijheidsvacuüm.
Straks zijn wij liefde zonder gevoel
en dragen we illusie als bed
voor onze waardigheid.
Afwijkend van ieder begrip, laat ik mij vallen doorheen jouw glazen muur. Het bloed is al lang gestold. Ik verlies slechts een enkele traan die als een bergrivier kabbelt langs de gesteentes van mijn lichaam. Ik ben een palimpsest van ongeschreven emoties. Jij zou een archeoloog kunnen zijn, voorzichtig op zoek naar mijn onbestaande schat in de dodenstad. Of eerder een paleontoloog in de dieptes van Atapuerca oog in oog met miljoenen jaren voorgeschiedenis. De landschappen lezen mijn onzekerheid. En toch herrijzen ze na iedere systematisch natuurramp als paasbloemen met de geur van zomer in zich.
Fictie
18 december 2008
Voor altijd bevangen
door jouw aalmoes.
Ieder geschreven woord tekent
de omtrek van mijn lichaam.
Het krassen van jouw pen zet mij,
litteken per litteken,
naar jouw hand.
En ik snak naar jouw fictie.
Ik bestaat enkel op papier,
zich slepend doorheen jouw fantasie.
Je kleeft mijn verslavingen
als prenten op je muur
met de inkt van het vocht
dat al lang niet meer bestaat
en al lang niet meer ademt.
En Ik zoekt,
naar de genesis van een verhaal
groeiend als een parasiet
op mijn zinnen.