Geschiedenis

21 juni 2009

Ik verdrink in dagen van daden met dubieus belang.
En Tijd vecht om vakjes in het rode anti-boek
waar vrijheid een woord wordt voor de toekomst
en waar ik – de piraat met het potlood
grijze strepen trek onder het verleden.

De grote missie, het plastieken goud
heeft mijn vrijheidsschreeuw verkruimeld
tot stille angsttranen in de nacht.

Uren in de avond.

18 april 2009

Met mijn blote voeten op het hete asfalt, dwing ik mezelf te vergeten. Iedere aanraking met de wereld moet mij dwingen niet te vervagen. Alsof het voelen dat ik nog fysiek aanwezig ben, mij kan redden. Misschien vind je dit een idiote redenering maar dat kan mij weinig schelen.
Bij het vallen van de avond trek ik de stad in. Nog even de kleuren absorberend, geef mijzelf over aan schalkse uitspraken van de spelende kinderen. En dan antwoord ik geanimeerd. Dat ik hun fiets niet zal stelen, bijvoorbeeld. Van mensen zonder schoenen kijken ze al lang niet meer op, deze stadskinderen uit de armoedige wijken.
Bij ieder stap hoop ik een inspiratiebron te ontdekken. Literair gezien zou het misschien van weinig talent getuigen moest ik nu schrijven enkel glasscherven en scherpe steentjes te vinden. Maar bij deze staat het er toch en blink ik uit in amateurisme – nog zo’n mooie. Moet je lachen? Je weet wel hoe het is. De momenten waarop de intense innerlijke leegte je dwingt te schrijven maar de knipperende cursor niet meer lijkt te bewegen, je vingers verstijfd zijn van weemoed en melancholie en zelfmedelijden de zinnen verkrampt. Zo is het al maanden.
Ik zoek ideeën, zwervend door de stad en gebeten door eindeloosheid. Als mijn koude voeten mij uiteindelijk aansporen een tram te vinden naar mijn kamer, blijf ik achter. Bedeesd en leeg en mensenschuw. Ze kunnen mij niet helpen.
Zou het kunnen dat ik me eenzaam voel? – Je weet dat ik op je wacht.

Naar Stijn Streuvels.

20 februari 2009

Ik vaar op oude rivieren
die verdwijnen in de mist
en zweven op hun water.

Stroming en riemen
zingen de cadans van mijn gedachten.

De doom van dit desolaat landschap
streelt liefdevol zijn lijk.

Steeds verder drijft mijn sloep
naar de illusies van de moderniteit.

Dertien.

13 februari 2009

Samen zijn we weerloos.
De wolken staan tussen ons,
ik blaas ze weg
maar de heldere hemel die ons werd beloofd,
sluimert alweer in je hoofd.

Ik wil je hullen,
ik wil je huilen
in de kleine geborgenheid
van graag zien.

Drink de verzameling zwarte nevel
in een klein glas carapils
en braak de verbijstering
uit jouw helend omhelzing.
Schrijf mijn tranen neer.

Mist.

26 januari 2009

Zonder reden
dwarrel ik neer op jou
in een stad zonder gezicht.
Ik ben de mist
die sluipt door de straten
van een dystopie.

Mijn duizenden armen
stelen jouw silhouet
en ze leiden je
door de straten van een stad
zonder gezicht.

Nuances verkruimelen
onder het gewicht
van mijn naam
en nu koester ik alles
wat de mijne is
in deze stad
zonder gezicht.

Het zwart van de nacht is mijn bondgenoot.

het Bedrijf.

28 december 2008

Pijn is niet het juiste woord.
Het is de aanbidding die mij verscheurt
en laat ontbinden
tot hoopjes lege lucht
met walmen van geuren
zonder emoties.

En schaamte
met biergist en gerookte kruiden
toont de dieptes van de nacht
en versluiert de twijfels
van het vrijheidsvacuüm.

Straks zijn wij liefde zonder gevoel
en dragen we illusie als bed
voor onze waardigheid.

Afwijkend van ieder begrip, laat ik mij vallen doorheen jouw glazen muur. Het bloed is al lang gestold. Ik verlies slechts een enkele traan die als een bergrivier kabbelt langs de gesteentes van mijn lichaam. Ik ben een palimpsest van ongeschreven emoties. Jij zou een archeoloog kunnen zijn, voorzichtig op zoek naar mijn onbestaande schat in de dodenstad. Of eerder een paleontoloog in de dieptes van Atapuerca oog in oog met miljoenen jaren voorgeschiedenis. De landschappen lezen mijn onzekerheid. En toch herrijzen ze na iedere systematisch natuurramp als paasbloemen met de geur van zomer in zich.

Fictie

18 december 2008

Voor altijd bevangen
door jouw aalmoes.
Ieder geschreven woord tekent
de omtrek van mijn lichaam.
Het krassen van jouw pen zet mij,
litteken per litteken,
naar jouw hand.
En ik snak naar jouw fictie.

Ik bestaat enkel op papier,
zich slepend doorheen jouw fantasie.
Je kleeft mijn verslavingen
als prenten op je muur
met de inkt van het vocht
dat al lang niet meer bestaat
en al lang niet meer ademt.
En Ik zoekt,
naar de genesis van een verhaal
groeiend als een parasiet
op mijn zinnen.

Definitie: Niets

9 oktober 2008

Mijn liefste,
in deze stilte wacht ik op jou.
Geen bewegingen, geen tekens meer
omdat ik mezelf heb beloofd Subtiliteit te zijn.

En jij,
die evenmin weet waar je bent.
Op reis met jezelf,
zwevend tussen het niets van de beslissing.

Jij speelt met finesses.
Altijd weer,
verdwaald tussen namen
in de echo’s van het beminnen.

Ik wil het spel niet leren.
Zoek jezelf niet langer bij mij.
Maar laat mij tot je
komen
en je nemen
zoals je bent.
En zoals ik ben.

Altijd.

17 augustus 2008

Elle est incontournable.
Of hoe Frans alles mooi verwoordt
maar nooit een oplossing biedt.

Ze is het centrale kamp;
the point from which there is no return.
De veilige haven
na een hachelijke expeditie.

Later zal ik terugdenken
en vrezen voor herinneringen
van slechte kwaliteit.
Nu savoueer ik van tijd tot tijd
haar prettige gedachtenstroom
en hamster ik
- als een kind zonder aandacht -
haar woorden voor het oneindige.

Sprong in het Donker.

19 juni 2008

Ik ben de stilte vergeten.
Het hemelse Niets van de nacht,
zoals jij die me alles vertelt
in het zachte licht van de kaars.

De nacht verdwijnt in jou
zoals deze woorden
in de post-its op mijn raam,
en wij
in de sterren boven mijn bed.