Uren in de avond.
18 april 2009
Met mijn blote voeten op het hete asfalt, dwing ik mezelf te vergeten. Iedere aanraking met de wereld moet mij dwingen niet te vervagen. Alsof het voelen dat ik nog fysiek aanwezig ben, mij kan redden. Misschien vind je dit een idiote redenering maar dat kan mij weinig schelen.
Bij het vallen van de avond trek ik de stad in. Nog even de kleuren absorberend, geef mijzelf over aan schalkse uitspraken van de spelende kinderen. En dan antwoord ik geanimeerd. Dat ik hun fiets niet zal stelen, bijvoorbeeld. Van mensen zonder schoenen kijken ze al lang niet meer op, deze stadskinderen uit de armoedige wijken.
Bij ieder stap hoop ik een inspiratiebron te ontdekken. Literair gezien zou het misschien van weinig talent getuigen moest ik nu schrijven enkel glasscherven en scherpe steentjes te vinden. Maar bij deze staat het er toch en blink ik uit in amateurisme – nog zo’n mooie. Moet je lachen? Je weet wel hoe het is. De momenten waarop de intense innerlijke leegte je dwingt te schrijven maar de knipperende cursor niet meer lijkt te bewegen, je vingers verstijfd zijn van weemoed en melancholie en zelfmedelijden de zinnen verkrampt. Zo is het al maanden.
Ik zoek ideeën, zwervend door de stad en gebeten door eindeloosheid. Als mijn koude voeten mij uiteindelijk aansporen een tram te vinden naar mijn kamer, blijf ik achter. Bedeesd en leeg en mensenschuw. Ze kunnen mij niet helpen.
Zou het kunnen dat ik me eenzaam voel? – Je weet dat ik op je wacht.