Definitie: Niets
9 oktober 2008
Mijn liefste,
in deze stilte wacht ik op jou.
Geen bewegingen, geen tekens meer
omdat ik mezelf heb beloofd Subtiliteit te zijn.
En jij,
die evenmin weet waar je bent.
Op reis met jezelf,
zwevend tussen het niets van de beslissing.
Jij speelt met finesses.
Altijd weer,
verdwaald tussen namen
in de echo’s van het beminnen.
Ik wil het spel niet leren.
Zoek jezelf niet langer bij mij.
Maar laat mij tot je
komen
en je nemen
zoals je bent.
En zoals ik ben.
Altijd.
17 augustus 2008
Elle est incontournable.
Of hoe Frans alles mooi verwoordt
maar nooit een oplossing biedt.
Ze is het centrale kamp;
the point from which there is no return.
De veilige haven
na een hachelijke expeditie.
Later zal ik terugdenken
en vrezen voor herinneringen
van slechte kwaliteit.
Nu savoueer ik van tijd tot tijd
haar prettige gedachtenstroom
en hamster ik
- als een kind zonder aandacht -
haar woorden voor het oneindige.
Sprong in het Donker.
19 juni 2008
Ik ben de stilte vergeten.
Het hemelse Niets van de nacht,
zoals jij die me alles vertelt
in het zachte licht van de kaars.
De nacht verdwijnt in jou
zoals deze woorden
in de post-its op mijn raam,
en wij
in de sterren boven mijn bed.
Elegie
11 mei 2008
Langzaam viel de avond op ons neer. We trachtten de weg terug vinden ten midden van deze mooie mensen; zwevend, dromend over wat het leven ons niet had geschonken. Alles vervaagt uiteindelijk; niet dat we dat niet wisten, maar alles behalve jij, behalve wij.
En de avond wou zich excuseren omdat hij zachtjes ons alsmaar verder het nog hete asfalt in boorde. Excuses waren mooi maar de situatie veranderde niet. Jij en ik, onder de grond, voorgoed verdwenen uit het zicht van de mooie mensen. Wie weet stootten we op ondergrondse feestjes waar de muziek de oren uit je hoofd rukte en de drugs de rest van je lichaam deed trippen. Helse beats, donkere ruimtes, ondergrondse mensen met dread-locks en vreemde ogen. En jij danste. Het patroon van je armen beschilderde mij. Fluoriserende kleuren. Scherp. Pijn. Niet langer. Ik vluchtte. Jij danste. Ik rende. Jij bleef dansen. DANSEN. Dansen…
En misschien bleef jij wel onder de grond terwijl ik hopeloos mijn weg terugzocht naar de avond. Ik keek niet achterom. Wie was jij daar, doorgedrukt in de nacht, als een vleermuis schuilend? De avond wou mij niet meer. Een plafond zonder opening en geen kracht die het open kreeg. De avond was te zwaar.
Ik zocht de morgen en wou je hand in mijn hand. Ik miste je die nacht. Nooit eerder had dit vervreemdend gevoel zo sterk in mij geheerst. Eén zijn, jouw tweede zijn. En wij, het derde geheel, verloren onder de grond. Gelach in de verte; een teken van licht? Ik stond te trillen en liet mij leiden naar die haven.
Zetels. Zachte beats. Een zweverig prop in mijn hoofd en het ontstaan van een andere realiteit, een andere ik. Ik maakte een trip naar de mooie mensen, naar de morgen. Beloftes vormden zich. Waar was jij?
En terug de nacht in. Doorheen lange gangen naar het geluid. Mijn voeten misten de grond; handen raakten mij aan. Jij danste. Kom. Kom dan. We zoeken de morgen. Opnieuw wij, wij vervaagden niet; wij vonden onszelf terug, langzaam met gaten en dorst.
Niet de nacht, niet de morgen vervult ons. Wij doen het zelf.
Geluk
1 mei 2008
Je vraagt me
steeds opnieuw
dezelfde vraag.
“Mijn prachtige barbaar,
het zijn kleine pluisjes,
ronddwalend
tussen ons beiden.
Vangen. Wegblazen.
Telkens weer
geen begin.”
En dan,
lach je.
—————–
Een prachtige pluim voor degene die de knipoog naar die grootse Persoon vangt.
Jacht.
1 april 2008
De rover rooft mijn hoofd. Leeg.
Jij, Rover.
Miljoenen momenten verbrijzelen in jouw nabijheid (omdat ze nooit genoeg zijn voor één flits van jouw subtiliteit). Het leek me best wel wat; jij de barbaarse schurk en ik de onschuldige buit. Goh, Rover, ik ben slechts de bank; je blaast mijn muur op en steek de juwelen en het geld in een bruine zak – liefst met een dollarteken op -, om de schat dan later aan drank te verkwisten.
Rover, zing een lied voor mij. Een dronkenmanslied over verloren liefdes en vergane glorie. Dan zing ik er ook wel eentje voor jou. Je mag zelf kiezen welk, zolang het geen Disney is. Die meligheid was nooit voor mij bestemd. Ik zal mezelf nooit verraden in ruil voor dansende muizen en zingende krabben.
Jij, Rover, denkt waarschijnlijk dat ik vreemd ben en niet van de wereld weet. Ik moet je teleurstellen want ik heb besef van alles. Ik heb de ogen van een prooidier. Alles rond mij is zichtbaar, maar datgene dat zich net voor mijn neus bevindt, zie ik maar vaag en kan ik niet doorgronden. Bij jou is dat andersom. Ik sta hier voor je terwijl ik net niet je natte neus aanraak. Je ziet me scherp.
Is dit wel een verzuchting waard? Deze dichotomie zwerft alsmaar verder doorheen mijn bestaan. Pauzeren doet het al lang niet meer. De afgrond wordt dieper, de val langer, de landing oneindig. Het bevalt me. Duizenden dromen zijn verdwenen en ik ken rust. Haastige rust. Ze komt even samen als jij langzaam je woordenadem met mij deelt; ze verspreidt zich opnieuw wanneer jij je laatste stap hebt gezet. Nog even. Heel even. Nog snel voordat alles wegspoelt en die leegte zich weer vult.
De rover rooft mijn bestaan.
Jij, Rover.
Held
16 maart 2008
Misbaksel,
Voor jou leg ik een verzameling verhaaltjes aan. Je ziet maar wat je ermee doet.
Nog een verhaaltje over een jongen.
Een jongen voelde zich voortdurend bekeken. Waarom gapen jullie zo, dacht hij wanneer hij over straat liep, is er niets op televisie? Hij liet op zijn voorhoofd fuck off tatoeëren. De mensen keken nog meer. Iedereen die zijn gezicht tatoeëert, komt vroeg of laat in het gekkenhuis terecht. Te veel ogen op je gericht, dat kan niemand aan. En hoeveel handen kan een lichaam verdragen?
Ik had jou altijd al bekeken. Nog voor jij mij zag. Jij stond daar in een dode hoek, buiten het leven.
‘Hoe vind je je leven?’ vroeg mijn vader mij onlangs.
Niet. Ik vind mijn leven niet. Ik heb overal gezocht.
Jij stond tussen haakjes.
Als jij tussen haakjes stond, moest jij mij ook binnenlaten. Want wij waren vijanden, en vijanden bestaan tegenover elkaar – elk in een hoek, bij een ander haakje. Vijanden praten niet, overleggen niet.
Ik zal niet praten, niet zoals minnaars de woorden herhalen die al eeuwenlang zijn voorgekauwd, niet zoals een bedelaar leeft van de herhaling, niet zoals een drukpers de tekens herhaalt.
Geliefden voelen zich verheven boven alle andere koppels. Zijn zijn de enigen op aarde die weten hoe het mechaniekje van de liefde echt werkt. Het is een weten van binnenuit, weten zij.
Wij weten nog beter, Misbaksel. Mijn kleine lieve Misbaksel.
Wij weten niets. Het is genoeg.
Het is niets, het is het niets waarin ik mij neerliet, waaruit ik mij optrek als de nacht valt. Een schaduw loskomend van de grond.
Ik stuur je de wereld in om de wereld te vinden en jou te verliezen, zoals Noach in de Bijbel een duif uitstuurde. Als ze niet meer terugkeerde, was het water van de zondvloed gezakt en was het land weer bewoonbaar.
Uit: “Held” van Saskia de Coster. Alle rechten voorbehouden.
Of hoe iets lelijks mooi kan worden.
29 februari 2008

Relativeren is een belangrijk deel van mij geworden; meer dan ooit besef ik wat voor totale trivialiteit sommige dingen hebben en hoe alles uiteindelijk wordt gereduceerd tot wat er echt toe doet.
De vraag is echter wat dat ene, dat summum van belang is. Zekerheid? Liefde? Het behouden van liefde?
Ik voel het, maar kan er geen woord opkleven; niet omdat het me dan duidelijkheid zou brengen; maar omdat het Belang-Rijkste zou worden veroordeeld tot een statisch bestaan. Het zou een woord worden, te gemakkelijk uit te spreken zonder de draagwijdte er van te herkennen, te snel gebruikt door enkelen om hun futiele belangen te bedienen. Het zou een woord worden zoals ‘gezondheid’, met een impact die velen geheel ontgaat.
Maar hoe aangenaam zou het niet zijn als ook het Aller-Belang-Rijkste te relativeren viel; hoe het woord afbreuk zou kunnen doen aan het gevoel; en ik niet iedere keer vanbinnen zou worden verteerd, maar net door uit te spreken, er om zou kunnen lachen en ‘we zien wel’ echt gemeend kon worden?
——————————–
Het schilderij, getiteld Evermore Frontispiece, is van de hand van Howard Hodgkin. Uiteraard zijn alle rechten aan hem voorbehouden.
Brief aan God.
29 januari 2008
Goede God.
Mijn God.
God.
U die mijn geweten bewoont
Er wordt verteld dat U niet bestaat. Dat alles wat U geschapen hebt toeval is en de mens slechts een dier. Dat de mens U heeft uitgevonden omdat hij te trots is om zich als de gelijke van zijn hond te zien. Bent U ook een man; zoals de mens zich een man noemt? Les droits d’homme et citoyen. Wat zijn uw rechten? Heeft U net als ik ook bestaansrecht?
Sommige vragen blijven beter onbeantwoord. Nog voordat het bloed heeft gestroomd, is onwetendheid de pleister op de wonde.
Weet U het nog? Hoe ik als kind droomde om samen met Uw Zoon – Jezus hebben ze hem genoemd, geloof ik – de grootste mirakels te verrichten en het mensendom te redden van zijn ondergang. En dan, toen ik ouder werd, U met mijn fantasie werd opgeborgen en ik stellig in de positieve wetenschap ging geloven. Nu bent U hier terug; volhardend om mijn sympathie terug te winnen.
Ik ben niet langer welwillig, niet langer goedgelovig. U stelt zich best even voor. Angst voor vreemdelingen is tegenwoordig in dit brokje nazi-staat geen vreemde meer.
Ik ken U niet, maar wij zijn twee gelijken; beiden te naïef voor dit mensendom. Sommigen verzonnen dogma’s en kleefden Uw Naam er op; gingen U als glijmiddel gebruiken voor hun hebzucht en hun zucht naar macht. Hoe reageerden de ketters aan Uw Poort nadat ze in Uw Naam door vlammen waren verteerd? Kon U hun sympathie terug winnen?
Ze zeggen dat U niet bestaat. Mag ik het er daar moeilijk mee hebben? Toch, ik bid niet; ik lees Uw Boek als een groot epos vol mooie mythes maar niet als de grote Waarheid; velen van Uw Afgezanten lijken mij de verpersoonlijking van hypocrisie.
Maar hoe vervullend is het niet om mijn ogen te sluiten en te denken:
God, wat doet U ons aan? Waarom laat U dit toe?
Of:
God, dit moment bent U. Deze plek bent U. Dit gevoel -, dat bent U.
U, mijn God, hebt weldegelijk mijn geweten vast. Tenminste, als ik U Liefde mag noemen en U op mijn manier mag beleven.
